Het oog van de meester

Harry in één van de vijf kraamafdelingen

Dat aandacht voor biggenopfok loont blijkt wel als we een kijkje in de stal nemen van familie Harenberg uit Holten (Ov.). Harry werkt samen met zijn vrouw Willy in het bedrijf met 460 zeugen. De Topigs 20-zeugen worden geïnsemineerd met de Tempo eindbeer. Harry is zelf opgegroeid op een varkensbedrijf, het was voor hem dus een logische keuze om zelf ook een bedrijf te beginnen. Harry is een echte vakman zo blijkt als we met hem door de stal lopen. Het aantal levend geboren biggen ligt op 15,7 stuks, de uitval in de kraamstal is 10,4 % en na spenen 1,4 %. Het aantal gespeende biggen per worp ligt op 14,1 stuks. De productie van de zeugen ligt op 34,1 gespeende biggen per jaar.

 

Alles wordt genoteerd

Alles wordt hier bijgehouden, in dit geval heeft de zeug 16 biggen VUZ (Van Um Zelf, een zelfbedachte afkorting om aan te geven dat het haar eigen biggen zijn)

Samen lopen we een controle ronde door de kraamstallen. Het bedrijf heeft 5 kraamafdelingen met in totaal 110 kraamhokken. Het eerste wat opvalt is dat alle zeugen zijn beoordeeld op het uier en aantal spenen. Dit wordt genoteerd per hok, zo weet hij precies hoeveel biggen een zeug groot kan brengen. “Als een zeug maar 13 goede spenen heeft, maar wel 16 biggen, is het een gemiste kans om al die biggen bij de zeug te houden. ” Ook let hij op de grootte van de biggen, hij wil graag uniforme tomen en legt de biggen over waar nodig. “Het is net als bij een frietkraam, daar staan de grotere kinderen ook altijd vooraan en moeten de kleinere ook heel hard en hoog springen om aan de beurt te komen. Door uniforme tomen te maken zie je veel minder verschil tussen de biggen”. Alles wordt genoteerd, hoeveel biggen er bij de zeug liggen, of ze klein, middel of groot zijn maar ook wanneer ze geboren worden. “Ik noteer altijd welk dagdeel de biggen geboren worden, vroeg, middag, laat of nacht, alleen de datum is niet voldoende, daar kan zo bijna 24 uur verschil inzitten”.  Hij gebruikt de slachtzeugen als pleegzeugen, doordat de zeugen zoveel biggen produceren is het onmogelijk om deze allemaal bij de eigen zeug groot te brengen.

Bijvoeren met melk en prestarter

In ongeveer 40% van de hokken plaatst Harry een extra kom met melk om achterblijvers te voorkomen

Rondom het werpproces is Harry geregeld in de kraamafdeling te vinden. Wanneer hij in een hok een lichte big ziet wordt er direct actie ondernomen. “Vaak geef ik zo’n big even een shot energie, hiervoor gebruik ik koffiemelk, dat spuit ik dan in de bek. Zo hoop ik dat ze voldoende energie hebben om zichzelf warm te houden zodat ze kunnen gaan drinken aan het uier. Dat hebben ze namelijk nodig om aan te sterken.” Op dag 3 na geboorte wordt gestart met bijvoeren, de biggen krijgen dan een prestarter (Top Wean). Er wordt niet standaard melk (Lacto Start) bijgevoerd, dit wordt beoordeelt per hok. Wanneer hij ergens een achterblijver ziet plaatst hij direct een kom met melk in het hok . “In ongeveer  40 % van de hokken is dit benodigd” aldus Harry.

Melk aanmaken

De kalvermenger waarmee de biggenmelken worden aangemaakt

Elke ochtend spuit hij de kommen schoon met heet water en verstrekt iedere dag, enigszins beperkt, nieuwe melk. Eventuele restmelk gooit hij weg. “Voor het aanmaken van de melk gebruik ik een  kalvermenger, deze meet direct de temperatuur tijdens mengen en maakt grotere hoeveelheden aan”. Dat de watertemperatuur voor het aanmaken van de melk een grote rol speelt is nog niet bij iedereen bekend. Bij te koud water lost de melk minder goed op en bij te heet water is er risico op denaturatie (onverteerbaar worden) van eiwitten. Met een kalvermenger wordt de melk op de juiste temperatuur aangemaakt en wordt de melk uitgegoten op een temperatuur van ongeveer 35 graden. Dat de biggen het graag drinken wordt bevestigd door Harry: “soms kan ik het amper in de kommen gieten, dan duiken de biggen er al bovenop. Het grote voordeel van het bijvoeren van melk is de hogere voeropname, dit zie ik ook terug in een hogere voeropname na spenen. Je ziet dat ze na het spenen makkelijker doorvreten”.


Minimaliseren van de uitval

Een enkele keer komt er diarree voor. Ook daar hebben ze hier hun oplossingen voor, Harry vertelt:  “ als ik ergens diarree zie strooi ik direct kalk in de hokken, kalk ontsmet en doodt de bacteriën. Ook zorg ik altijd voor voldoende zaagsel, het is belangrijk dat de biggen goed droog blijven, ze verliezen namelijk direct conditie als ze aan de diarree zijn. Wanneer ik diarree zie stop ik direct met bijvoeren van melk en geef ik de biggen cola, dit heeft een lage PH en neutraliseert. Op deze manier weet ik de uitval te minimaliseren”.


Voorbereiding op het spenen
De gehele kraamperiode wordt één prestarter doorgevoerd tot 4 dagen voor spenen. Om te zorgen voor een goede overgang naar het speenvoer, voert hij twee dagen voor spenen 50 % prestarter en 50% speenvoer zodat de biggen geleidelijk overgaan op het speenvoer.  De biggen zijn al geschakeld voor spenen. “Dit verloopt heel goed” aldus Harry, “de biggen vreten goed door en ik heb eigenlijk geen last van speendiarree”. De biggen zijn gewend aan het bijvoeren en hebben goed leren vreten, de darmen zijn geleidelijk voorbereid op het speen- en opfokvoer.


Vitalere biggen

Het bijvoeren is voor Harry een serieuze zaak, “ik let goed op de hoeveelheid voer, de kom moet in één keer leeg zijn. Ik voer liever een paar keer per dag kleinere beetjes. Op het laatst kan dit maar zo 4/5 keer per dag zijn.” Dat het bijvoeren loont blijkt wel uit zijn resultaten. Sinds hij gestart is met het intensiever bijvoeren van melk en prestarter zijn de resultaten verbeterd. Het percentage slachtbiggen is ondertussen gedaald naar slechts 1,52 % en uitval na spenen is gereduceerd tot 1,4%. Dit betekent dat 97,1 % van de biggen richting de vleesvarkenshouderij gaan. Het grote voordeel van het bijvoeren van een prestarter in de kraamstal is dat de voeropname erg hoog is waardoor ze makkelijker door vreten na spenen. Biggen zijn vitaler en de ziektedruk is lager. De levensdaggroei van de biggen ligt op 355 gram.

 

Geen wateropname is geen voeropname

Dringen geblazen, ook na het spenen vreten de biggen goed door, op het bedrijf hebben ze dan ook weinig tot geen last van de speendip

Na het spenen komen de biggen in groepen van ongeveer 30 – 32 terecht. Na het spenen verstrekt hij de eerste 3 dagen extra water in de hokken om de voeropname te stimuleren. Geen wateropname is namelijk ook geen voeropname. Ook hier wordt weer goed op de grootte van de biggen gelet, zo komen de kleinere biggen bij elkaar en de grotere.  Om de kleintjes bij te trekken krijgen ze de eerste 14 dagen brij bij, naast het speenvoer. De biggen groeien nog vijf weken flink door en worden dan verkocht aan één vaste mester met een gewicht van ca. 27 kg.

 

BIjvoeren is niet meer weg te denken
De fase in de kraamstal bepaalt hoe de big later gaat presteren. Het bijvoeren van de biggen is voor Harry niet meer weg te denken. “Mijn doel is om zo veel mogelijk biggen te spenen van de beste kwaliteit. Biggenopfok is maatwerk, niet elke big benodigd dezelfde aanpak. Bijvoeren is nodig want de zeug produceert niet voldoende melk en je wilt de biggen voorbereiden op het spenen. Je wilt  een zo hoog mogelijke voeropname behalen zodat je later geen last hebt van de speendip. Bovendien zijn de biggen vitaler en gezonder,  dit leidt tot een verlaagde ziektedruk en uiteindelijk een zo laag mogelijke uitval en de beste kwaliteit biggen”.

Voerprogramma

  Eerste fase:   Lacto start (40% van de tomen)
  Dag 3 na geboorte:   Top Wean
  4 dagen voor spenen tot 2 dagen na spenen:   50 % Top Wean / 50 % Safe Start
  2 tot 12 dagen na spenen   Safe start
  Vanaf 12 dagen na spenen tot 27 kg   Opfok